Hoewel er al sinds het einde van de twaalfde eeuw katholieken in Loosduinen hebben gewoond en gekerkt, kreeg het tuindersdorp Loosduinen pas in 1785 een eigen kerk en een eigen pastoor. De eerste pastoor Bernardus Ocke kerkte met zijn parochianen aan de (Oude) Haagweg, tegenover de plek waar de huidige kerk staat. Over dit kerkje is weinig bekend. In de ‘Stad- en Dorpbeschrijver’ van 1798 werd het alleen als ‘alleraangenaamst en zeer fraai gelegen’ omschreven. In het midden van de vorige eeuw vermeldt Van der Aa een orgel in het kerkje, dat net als de oude parochiekerk Eikenduinen, aan Maria was gewijd. Dat kerkje lag aan de Haagweg tegenover de Laan van Oud- Eikenduinen, waar nu ongeveer de Medemblikstraat begint. Is er over het in- en exterieur weinig tot niets bekend, over de huidige hierna beschreven kerk des te meer.

In 1906 schreef Jan Kalf in het boek ‘De Katholieke kerken in Nederland. Dat is de tegenwoordige staat dier kerken met hunne meubeling en versiering beschreven en afgebeeld’, uitgegeven onder leiding van Dr. P.J.H Cuypers:

“Een verdienstelijk kerkje van E.J. Margry, 17 augustus 1881 gewijd door Mgr. Snickers. Eenvoudige baksteenbouw, uitwendig alleen opmerkelijk door den westtoren, met zijn goedgevonden overgang van den vierkanten onderbouw tot de bovenste, achtkante etage. Van plan een driebeukige kruiskerk, met schip ter diepte van vijf traveeën en breed uitspringend transept, verbonden aan rechthoekige kapellen ter zijde van het met vijf zijden van eenen achthoek gesloten presbyterium. Gedekt, in het middenschip met een spitsbogig houten tongewelf, in de zijbeuken met gemetselde kruiswelven: gele velden op zandsteenen ribben, gedragen op achtkante pijlers, evenals de wanden gemetseld in afwisseling van grijsroode en gele baksteen. Verlicht door tweedeelige vensters in de zijbeuken, lage driedeelige in de hooge lichtbeuk, groote vierlichters in de transepten en met gehistorieerd glas gedichte tweelichts vensters in het choor. Versierd in presbyterium en zijkapellen met een eenvoudige polychromie door J. Dunselman en langs de zijwanden met staties van denzelfden. Ziedaar het signalement van dit gebouw, dat, bij 550 verhuurde zitplaatsen, er 200 beschikbaar heeft voor de armen.”

Het gebouw

De Parochiekerk van Onze Lieve Vrouw Hemelvaart werd gebouwd in 1880- 1881 naar ontwerp van Eduard J. Margry. Hij was evenals zijn broer A.J. Margry één van de eerste leerlingen van de grote bouwmeester Pierre Cuypers en ook één van de productiefste. Van zijn hand is o.a. de St. Bartholomeuskerk in Nootdorp, gebouwd in 1871 en ook de voormalige St Josephkerk aan de Limburg Stirumstraat werd door hem ontworpen en gebouwd. Op 10 februari 1880 werd de bouw van de Loosduinse kerk aanbesteed, waarna deze binnen anderhalf jaar werd voltooid.

De in baksteen opgetrokken, neogotische kruisbasiliek is driebeukig, bezit een buiten de zijbeuken uitspringend transept dat wordt afgesloten door puntgevels, een lagere absis met door vijf zijden van een achthoek gevormde sluiting, en een hoge westtoren. Het schip telt vijf, het koor één en de transeptarmen twee traveeên. De daken van kerk en torenspits worden gedekt door leien. Aan weerszijden van het koor zijn rechthoekige kapellen gesitueerd. Op de oostelijke hoek van de noordelijke transeptvleugel staat een achthoekige traptoren met spits. De westtoren bestaat uit een vierkante romp, begeleid door haakse steunberen, en een van afgeschuinde hoeken opgaande, achthoekige klokkenverdieping met frontalen en een slanke naaldspits.

De toren bezit aan de noordzijde een rechthoekige traptoren met tentdakje. Het torenportaal en het venster daarboven worden omlijst door geringe colonnetten. Hierboven een Mariabeeld in omlijsting met zuiltjes en dakje met driepasboog. De kerk bezit in de zijbeuken smalle spitsboogvensters en in de lichtbeuken venstertripletten naar vroeg-gotische trant. De eindgevels van het transept bevatten grote vensters met traceringen in rijp-gotische stijl. De bakstenen pijlers van de kerk zijn achthoekig en hebben gebeeldhouwde blad- kapitelen van natuursteen. hl het interieur worden opstanden verlevendigd door rechthoekige spaarvelden en gemetselde friezen. De hoofdbeuken worden overdekt door houten tongewelven op schenkels, die in neogotische stijl rijkelijk zijn beschilderd door J. Dunselman. Over de zijbeuken zijn kruisribgewelven gemetseld en de absis bezit een straalgewelf.

Het interieur

Het interieur, oorspronkelijk grotendeels in schoonbaksteenwerk uitgevoerd, kreeg in de eerste jaren na het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) met zijn ingrijpende vereenvoudiging van de liturgie en de daarmee verbonden versobering van het kerkgebouw, een cementbepleistering die in 1980 -kort voor het eeuwfeest van het kerkgebouw -werd vervangen door een stuclaag in crème kleur. De oorspronkelijke neogotische altaren in de absis en de zijkapellen, de gebeeldhouwde preekstoel links van het presbyterium, die decennialang aan de pijler ter rechterzijde was bevestigd, en de communiebanken verdwenen voor een deel al in het begin van de vijftiger jaren. De zijaltaren, aan de Heilige Maagd Maria en aan St. Jozef toegewijd, werden in 1951 vervangen door de nu aanwezige zijaltaren met hun Latijnse inscripties. Het huidige altaar waaraan de Eucharistie gevierd wordt, werd na het Concilie verplaatst naar waar het nu op de reeds eerder verhoogde vloer van het presbyterium staat.

In 1955 werd in de absis een nieuw groen geaderd marmeren blok geplaatst met daarop het tabernakel, ontworpen door w. Harzing uit Driebergen-Rijsenburg. De zes grote kandelaars en de Godslamp zijn ontworpen door het vermaarde atelier Brom te Utrecht. Kandelaars en Godslamp zijn in 1995 en 1999 gerenoveerd en aangepast aan het geheel van de inrichting van het priesterkoor. In de grote transeptarmen bevinden zich gebrandschilderde ramen in neogotische stijl uit de bouwtijd of kort daarna. In het zuidelijke raam is de Doop van Christus voorgesteld en in het noordelijke de Annunciatie. Ook de absisvensters bezitten neogotisch gebrandschilderd glas met voorstellingen van de instelling van het Carmelscapulier, de Tenhemelopneming van Maria en de overhandiging van de Rozenkrans door Maria aan de Heilige Dominicus.

In de zijbeuken bevinden zich kruiswegstaties, geschilderd door eerder genoemde J. Dunselman. Het orgel werd in 1985 vanuit het oksaal in het noordertransept opgesteld. Het werd getuige de inscriptie, en ter vervanging van het misschien meegenomen orgel uit de eerste parochiekerk, vervaardigd door de firma Maarschalkerweerd te Utrecht, in 1903. Het bezit een neogotische kas. Bij de verplaatsing werd het orgel gerestaureerd. In 1995 werd een ondergrondse verbinding tussen de verplaatsbare speeltafel en de orgelkas aangelegd.

In het middenschip en het transept hangen zes grote en twee kleine lichtkronen in neogotische stijl, afkomstig uit de in 1981 afgebroken kerk van de vroegere parochie van de Heilige Engelbewaarders aan de Brandtstraat. De gehele kerk, uitgezonderd het noordertransept, staat nog vol met eikenhouten banken vanuit de begintijd.

De monumentale waarde

Bovenstaande is ontleend aan de beschrijving van het kerkgebouw door de gemeentelijke Afdeling Monumentenzorg van Den Haag bij de plaatsing van kerk en pastorie op de gemeentelijke Monumentenlijst in 1993. Het kerkgebouw is van algemeen belang wegens de architectuurhistorische, kunsthistorische en stedenbouwkundige waarde. Architectuurhistorisch is de kerk van belang als voorbeeld van neogotische stijl. Het is het enige kerkgebouw in de gemeente Den Haag van Eduard J. Margry .Haar kunsthistorische waarde ontleent de kerk onder meer aan de kruiswegstaties en decoratieve beschilderingen van Dunselman, de neogotische gebrandschilderde ramen en het Maarschalkerweerdorgel. Uit stedenbouwkundig oogpunt is de kerk met haar hoge toren van belang als markant herkenningspunt aan de rand van de oude dorpskern van Loosduinen.

In 1999, het laatste jaar van het tweede millennium, is het interieur van de kerk na alle grote ingrepen van de laatste drie decennia, zo goed mogelijk in de oorspronkelijke staat teruggebracht. Met name de pijlers en pilasters met hun verschillend gebeeldhouwde bladkapitelen, de triforia in middenschip, transept en absis zijn van hun bepleistering en uniforme kleur ontdaan. De kraagsteentjes onder de pilasters in de absis hoefden niet onder handen genomen te worden. Hierop zin de wapens aangebracht van de toenmalige paus Leo XIII, van de bisschop van Haarlem Mgr. P.M. Snickers, en van de gemeente Loosduinen. Deze kraagsteentjes waren rond het eeuwfeest van de kerk al in hun oorspronkelijke kleuren herschilderd. Van de koorbalustrade werd de in 1965 aangebrachte betimmering weggehaald. De oude tekst ‘Cantate Domino laus ejus in ecclesia sanctorum’, ‘Zingt de Heer zijn lof in de gemeenschap van de heiligen’ tooit haar weer met nieuwe sierletters.

Met de herschildering van de gehele kerk en de reiniging van het neogotisch beschilderde gewelf van de hoofdbeuk kwam een einde aan een lange periode van groot onderhoud en restauratie van het kerkgebouw. In een tijdsbestek van tien jaar en vooral sinds kerk en pastorie in 1993 op de Monumentenlijst van de Gemeente Den Haag waren geplaatst, werd de torenspits gerestaureerd en het dak gerepareerd, veel natuursteen werd onder handen genomen en bijna alle glas-in-loodramen werden na restauratie van beschermende voorzetramen voorzien. Bezoekers van de kerk worden getroffen door de kleurenrijkdom die zich vanuit de houten gewelven over de hoofdbeuk en de gemetselde kruisribgewelven over de zijbeuk voorzet tot in de kleinste onderdelen van heel het gebouw. Let alleen al eens op de twaalf kleine tableaus in de pilasters, tegeltjes die herinneren aan de wijding van de kerk in 1881 en in het bijzonder aan de twaalf apostelen op wie de Kerk gebouwd is. De eenvoudige polychromie van eertijds is, zij het met handhaving van de bepleistering en de zwartmarmeren platen in de absis, grotendeels teruggekeerd.

De kruiswegstaties

In de zijbeuken en het transept bevinden zich de kruiswegstaties. In het jaar 1881 gaf pastoor de Bruijn, die in 1878 pastoor was geworden en de bouw van de huidige kerk begon, opdracht tot het vervaardigen van een kruisweg. Op 14 september van datzelfde jaar, het feest van Kruisverheffing, kort na de ingebruikneming van de kerk, werd de kruisweg door de bisschop van Haarlem, Mgr . Snickers, ingezegend.

In het archief van de parochie wordt vermeld, dat het kerkbestuur op 15 maart 1905 toestemming van het Bisdom Haarlem kreeg om voor een bedrag van f 5.000.– de twee zijaltaren en de wanden van de kerk af te werken en een nieuwe kruisweg aan te schaffen. Het beschikbare geld was lang niet toereikend, maar mede door de vele kleine giften kwamen twaalf staties tot stand. De twee andere werden door twee parochianen geschonken.

In de loop van acht jaar, 1905-1913, werd de kruisweg compleet. De opdracht werd gegund aan J. Dunselman, geboren in 1863 in Den Helder en overleden in 1931. Op 1 juni 1906 werd de eerste statie aangebracht, op 16 juli 1913 de laatste. De kosten per statie bedroegen f 300,-. Tijdens de restauratie van de kerk, in 1965, kreeg ook de kruisweg een opknapbeurt. De staties werden iets verkleind en voorzien van een andere omlijsting. Inmiddels is ook deze vervangen door een meer passende.

Het orgel

‘Jubilanti pastori -grati parochiani’ , staat op de kas van het orgel. Dankbare parochianen boden in 1903 aan de jubilerende pastoor P.A. de Bruijn bij gelegenheid van zijn zilveren pastoraat dit nieuwe orgel aan. Het werd gebouwd door Michael Maarschalkerweerd, die de orgelmakerij van zijn vader Pieter, leerling van Jonathan Batz, een eigen gezicht heeft gegeven. Aanvankelijk overheerste nog het typisch Hollandse in de structuur van de gebouwde orgels. Ze bestonden uit een hoofdwerk, een bovenwerk en een vrij pedaal. De claviatuur bevond zich middenvoor in de onderkas. Deze orgels vallen op door hun verzorgde makelij in een vaak fraaie neogotische kas. Later werden de orgels gebouwd waarin de Franse principes wat betreft hun dispositie, technische aanleg en klankgeving overheersen. Sleepladen, een mechanische traktuur en de toepassing van het Barker-systeem om de toetsdruk te verlichten kenmerken deze orgels. Orgelbouwer Maarschalkerweerd luidde een nieuwe periode in de orgelbouw in, omdat hij het in Engeland en Duitsland al langer gebruikte pneumatische systeem ging toepassen.

Het in 1903 gebouwde orgel in deze kerk heeft dit systeem, dat een combinatie is van pneumatiek en elektrotechniek. Magneten, membranen en kegels brengen het contact tussen toets en pijp tot stand. De maker van de kas is niet bekend. Het orgel telde aanvankelijk 17 stemmen: 9 op manuaal 1, 6 op manuaal 2 en 2 pedaalstemmen. De zwelkast werd door een voettrede bediend. In 1917 werd een windmotor in het orgel aangebracht, waardoor geen orgeltrappers meer nodig waren. Door de firma Vermeulen uit Alkmaar werd in 1960 de speeltafel verplaatst omdat de organist tegelijk de directie van het koor moest voeren. Ook het pijpwerk werd gerenoveerd en nieuwe membranen werden aangebracht.

Een algehele restauratie van het orgel volgde in 1966. De heteluchtverwarming van de kerk had het oude windladesysteem danig aangetast. Ook het pijpwerk moest onder handen worden genomen. Bij de restauratie, opnieuw door de firma Vermeulen, werden 9 registers verwijderd en werden 10 nieuwe geplaatst waaronder de mixtuur 4-6 st. Ook het voetregister ‘crescendo’ werd aangebracht, speciaal op verzoek van de organist. Sindsdien telt het orgel 19 stemmen op manuaal 1, 6 op manuaal 2 en 4 op het pedaal. De bestaande koppels en vaste combinaties bleven gehandhaafd. Ook het pijpwerk van manuaal 2 in de zwelkast bleef.

Opnieuw vanwege de invloed van de heteluchtverwarming vond in 1985-1986 een totale restauratie plaats, waarbij het orgel ook een nieuwe plek kreeg in het linker transept. Acties onder de parochianen en gift van het Anjerfonds maakten deze restauratie mogelijk. Orgelbouwer P.C. Bik uit Leiden nam het werk ter hand. Na een jaar buiten dienst te zijn geweest kon het orgel op Pinksteren, 19 mei 1986, weer bespeeld worden. Met 2 nieuwe blaasbalgen, gehuld in een nieuwe kas maar met het oude front en een ongewijzigde dispositie. Adviseur bij deze restauratie was de heer A. van Eck, lid van de Katholieke Klokken- en Orgelraad. In augustus 1994 werd door orgelbouwer P.C. Bik een nieuwe windmotor aangebracht.

Hoogfeest van Onze Lieve Vrouw Tenhemelopneming 15 augustus 1999
Pastoor J .L. Groenewegen

Verantwoording

Geput werd ook uit de volgend literatuur:
* J. Kalf, De katholieke kerken in Nederland. Amsterdam 1906.
* C.H.U. Dumas (redactie en samenvatting), Waar Hagenaars kerkten. Den Haag 1983.
* J. Th. Jansen. 1881-1981 Onze lieve Hemelvaart;  100 jaar parochiekerk in Loosduinen en wat daaraan vooraf ging, Den Haag 1981.
* Tim Gaas (redactie). Verborgen Kerkschatten 1400-2000. Katholieke Kunst uit Zuid-Holland. Jaarboeken van de Stichting Kerkelijk Kunstbezit in Nederland, deel lIl, Den Haag 1996