Jean-Marie-Baptiste Vianney (Pastoor van Ars) 1786 – 1859

Het gebed van de Pastoor van Ars, die bij wijze van spreken de laatste dertig jaar van zijn leven in zijn kerk doorbracht, waar zijn ontelbare penitenten beslag op hem legden, was vooral een eucharistisch gebed. Zijn devotie tot Onze Lieve Heer in het Heilig Sacrament des Altaars was waarlijk ongemeen. “Hij is daar”, zei hij, “Degene die zo veel van ons houdt; waarom zouden wij Hem niet op onze beurt liefhebben?” Hij beminde Hem en voelde zich onweerstaanbaar aangetrokken tot het tabernakel. “Het is niet nodig veel te spreken als men goed wil bidden, legde hij zijn parochianen uit. Je weet dat de goede God daar is, in het heilig tabernakel; je opent je hart voor Hem; je bent blij dat je bij Hem mag zijn, in Zijn heilige tegenwoordigheid. Dát is het beste gebed.”

Bij iedere gelegenheid scherpte hij de gelovigen de eerbied en de liefde voor de goddelijke tegenwoordigheid in de Eucharistie in, hij nodigde hen uit om dikwijls tot de heilige tafel te naderen, en zelf gaf hij het voorbeeld van deze diepe vroomheid: “Om zich daarvan te overtuigen, aldus vertelden de getuigen, was het voldoende hem de Mis te zien lezen, hem te zien knielen als hij voorbij het tabernakel kwam.”

Paus Johannes XXXIII

Encycliek Sacerdotii Nostri Primordia, 1 augustus 1959