Archief “pastoraal woord”

Hier vindt u een overzicht van de eerder op de startpagina gepubliceerde “pastoraal woord” teksten.


Pastoraal woord: Nieuw begin

Voor veel mensen staat de maand september in het teken van opnieuw beginnen. De zomervakantie is weer voorbij en velen van ons gaan weer aan het werk of naar school. Voor sommigen is deze ervaring van een nieuw begin maken in september nog sterker, bijvoorbeeld voor kinderen die van de basisschool naar de middelbare school gaan of voor jongeren die beginnen aan hun eerste jaar aan MBO, HBO of universiteit. Iets nieuws beginnen biedt mogelijkheden om mensen te leren kennen, talenten te ontwikkelen en te groeien als mens. In zekere zin dwingt het ons om onszelf opnieuw uit te vinden in verhouding tot een nieuwe omgeving. Dit is verrijkend maar vaak ook spannend. Velen van ons zullen zich het gevoel herinneren van de ‘eerste schooldag’. Het onbekende schrikt vaak af. Misschien is het daarom dat we als mensen soms geneigd zijn om alles zoveel mogelijk bij het oude te willen laten.
Zelf bevind ik mij momenteel ook in de positie dat ik een nieuw begin mag maken als priester in uw midden en als lid van het pastoraal team. Op het moment van schrijven heb ik net mijn eerste schreden gezet in de verschillende kerken van onze parochie en al een aantal parochianen en vrijwilligers mogen ontmoeten. In de komende periode hoop ik nog veel meer van u te mogen ontmoeten en ik zie zeer uit naar een prettige en vruchtbare samenwerking.
Wat het liturgisch jaar betreft, bevinden we ons midden in de tijd door het jaar. In de liturgie volgen we Jezus in zijn omgang met mensen, zijn genezingswonderen en zijn onderricht in woord en daad. Als we de evangelielezingen van september lezen dan wordt duidelijk dat de noodzaak om steeds opnieuw te beginnen ook gold voor de eerste leerlingen van Christus. De apostelen moesten leren om hun vastgeroeste ideeën los te laten en zich open te stellen voor het evangelie.

Met vallen en opstaan ontdekten ze wat het betekent om Jezus echt na te volgen. Of het nu gaat om de apostel Petrus die Christus ervan wilde weerhouden om zijn zending te volbrengen (Marcus 8,27-35) of de apostel Johannes die anderen ervan wilde weerhouden om duivels uit te drijven in Jezus’ naam (Marcus 9,38-41), de apostelen liepen vaak tegen hun eigen grenzen aan. Toch is het duidelijk dat Jezus van zijn vrienden verlangde dat ze zouden groeien en een nieuwe visie zouden ontwikkelen. De Heer daagde zijn leerlingen uit om zichzelf opnieuw uit te vinden door iedere keer weer een nieuw begin te maken. Steeds weer opnieuw beginnen hoort bij het leven als volgeling van Jezus. Paulus drukt dit krachtig uit in zijn brief aan de christenen van Rome: “Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zult u in staat zijn om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zéér goed is en volmaakt” (Romeinen 12,2). Deze uitdaging is nu nog even actueel als toen. Daarom beginnen we onze liturgische vieringen altijd met een gebed om Gods ontferming. We belijden dan onze tekortkomingen. Niet omdat we alle nadruk willen leggen op wat er fout gaat, maar wel omdat we ons realiseren dat het leven met God altijd een beetje opnieuw beginnen is. Als leerlingen van Jezus bevinden we ons op een weg van navolging van Hem die onze Heer is. Dit is een weg van vallen en opstaan waarbij we ons steeds opnieuw mogen laten inspireren door Gods woord en nieuwe kracht ontvangen door het gebed en de sacramenten. Als we ons hiervoor openstellen, ontdekken we nieuwe mogelijkheden in onszelf en onze geloofsgemeenschappen. Dan ondervinden we hoeveel moois God ons wil geven en tot hoeveel goeds wijzelf in staat zijn als we gezamenlijk optrekken als leerlingen van de Heer.
Aan het begin van dit nieuwe school-, college- en werkjaar wens ik ons allen toe dat wij moedig verder mogen gaan op deze weg van navolging van Jezus. Een weg die van ons vraagt dat wij ons – net als de apostelen – openstellen voor de aanwezigheid van God in de omstandigheden van ons dagelijks leven. Juist ook wanneer dit betekent dat we nieuwe wegen moeten vinden om trouw te blijven aan de Heer in een veranderende maatschappij en een veranderende kerk. Met de hulp van Gods genade is dit zeker mogelijk en de moeite waard, daar ben ik vast van overtuigd!

Namens het pastoraal team, pastor Tom Kouijzer

Pastoraal woord: Golven

‘Als ik de golven aan het strand en de duinen, het zand zie, denk ik aan de vakantie’ was de eerste regel van een lied dat, gezongen door Ria Valk, in de zomer van 1965 in de Top-40 stond. Ik kan me dat lied nog goed herinneren, ik denk door een singeltje ervan dat één van mijn oudste zussen in die tijd had. Mij brengt een bezoek aan zee, net als Ria Valk, in een vakantiestemming. Een zomer zonder dat ik een keer het strand heb bezocht, komt eigenlijk niet voor. Ik ga nooit verder de zee in dan waar ik kan staan, want ik ben geen echte zwemmer. Hoge en wilde golven om lekker in te duiken of tegen je aan te laten komen, daar geniet ik echter wel van.
De afgelopen vijftien maanden hebben we met andersoortige golven te maken gehad: coronagolven die ons behoorlijk in de ban hielden. Hopelijk hebben we nu de laatste golf gehad en kunnen we geleidelijk weer van alles doen zonder allerlei restricties waar we ons aan moeten houden. In publieke ruimten hoeven de mondkapjes al niet meer op en de verwachting is dat we aan het eind van de zomer ook de anderhalve meter afstand los kunnen laten. Doordat steeds meer mensen gevaccineerd zijn, moet dat vast gaan lukken. Het is te hopen dat we dan ook in de kerk niet meer op afstanden hoeven te letten en we geen maximum aantal kerkbezoekers meer hoeven te hanteren. Het zou fijn zijn als alle kerkbanken dan weer volledig gevuld mogen worden, als de kerk weer helemaal vol mag zitten. Dat is trouwens wel een hele optimistische gedachte. De laatste jaren, zeg maar gerust decennia, zien we de kerken steeds leger raken. En het is de verwachting dat de coronacrisis dat proces alleen maar heeft versneld. Zeker weten doen we het niet. Ik heb goede hoop dat de kerkgang zich toch weer een beetje zal herstellen. Als er niet meer hoeft te worden aangemeld, als we weer samen kunnen zingen, als we ons niet meer aan verschillende regels hoeven te houden en als we na afloop van de viering weer gezellig samen koffie kunnen drinken, zullen misschien toch weer meer mensen ’s-zondags naar de kerk komen. En wie weet, heeft de coronapandemie toch bij sommige mensen de ogen geopend dat we niet alles in het leven zelf in de hand hebben. Misschien dat zij op zoek naar God zijn gegaan en zich bij de kerk willen aansluiten. Of misschien dat zij teruggrijpen naar de geloofstraditie waarmee ze in hun jeugd vertrouwd waren en nu de kerk weer opzoeken.
Zou wellicht de coronacrisis tot een opwaartse golf in de kerk leiden? Wie zal het zeggen? Misschien moeten wij onze opvatting over kerk-zijn ook wat verruimen. Vaak meten we de omvang en activiteit van de kerk slechts aan het aantal kerkbezoekers op zondag. Maar is de kerk niet meer? Horen vrijwilligers die zich bijvoorbeeld voor diaconale projecten inzetten maar ’s-zondag niet (vaak) in de kerkbanken zitten, niet net zo goed tot de kerk? En is een kerk met een krimpende geloofsgemeenschap die veel tijd en energie steekt in ondersteuning aan gezinnen en scholen bij de geloofsopvoeding van kinderen, zonder dat dit direct leidt tot groei van het aantal kerkgangers, minder kerk dan een goed gevulde kerk op zondag?
Door de eeuwen heen heeft de kerk trouwens steeds een golfbeweging laten zien. Perioden van bloei en verval wisselden elkaar af. Met dit gegeven mogen we er op vertrouwen dat na de huidige tijden van krimp ook weer een periode van groei aan zal breken. Soms kunnen we moedeloos worden als al onze inspanningen om mensen bij de kerk te betrekken steeds zonder effect blijven. Het troost en ontspant me dan als ik me bedenk dat wij mensen slechts hoeven te zaaien en dat God zelf er zorg voor draagt dat het geloof in mensen ontkiemt en groeit. Wij mogen dus vertrouwen op de heilige Geest die in medemensen zijn werk doet en die zal zorgen voor een nieuwe opwaartse golf van gelovigen.
Als we de evangelielezingen op de zondagen in juli en augustus achtereen-volgend lezen, zien we dat Jezus zelf te maken had met een golfbeweging in aantal leerlingen. Eerst, in de omgeving van Nazaret, heeft Jezus weinig leerlingen. De mensen daar kunnen niet in Hem geloven omdat zij Hem kennen als de timmerman, de zoon van Maria. Welke wijze dingen zou deze hun over God kunnen vertellen? De groep volgelingen breidt zich vervolgens uit, doordat de leerlingen twee aan twee worden uitgezonden om Jezus’ boodschap te verkondigen. Vele mensen willen Jezus zien en spreken. Hij en zijn apostelen hebben er meer dan een dagtaak aan en zoeken noodgedwongen af en toe de rust op. Het evangelie van de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging (zondag 25 juli) is wat dat betreft de climax: vele mensen bijeen die na zijn Woord gehoord te hebben, ook nog eens te eten krijgen. Maar daarna gaat het bergafwaarts. De mensen keren zich steeds meer af van Jezus, omdat zijn preken hen niet aanstaan.
Jezus noemt zichzelf het levende Brood dat uit de hemel is neergedaald. Niet het manna dat de voorvaderen in de woestijn te eten kregen, maar Hij, Jezus, is het levend Brood uit de hemel. Velen nemen aanstoot aan deze woorden. Er haken zoveel leerlingen af dat Jezus op het laatst aan zijn apostelen vraagt of ook zij soms weg willen gaan. Jezus laat zich door dit afhaken niet ontmoedigen, zelfs niet als de afhakers zich tegen Hem keren. Vol vertrouwen op God de Vader gaat Hij door met zijn opdracht. Laten wij daarom, naar zijn voorbeeld, niet ontmoedigd raken door lege kerkbanken, maar doorgaan met de opdracht van de kerk: de Blijde Boodschap verkondigen, met woorden en vooral met daden. En we laten het dan maar aan God over hoe hoog de golf wordt.

Jos van Adrichem, diaken

Pastoraal woord: Het Heilig Hart van Jezus

In zijn preek over het Heilig Hart in 2013 zei Paus Franciscus:

Het is moeilijker om ons door God te laten liefhebben dan om God lief te hebben. De beste manier om op onze beurt van Hem te houden, is door onze harten te openen en zo Hem van ons te laten houden.

Heilig Hart van Jezus

Op de derde vrijdag na Pinksteren vieren wij ieder jaar het feest van het Heilig Hart van Jezus. De devotie tot het Heilig Hart is van zeer vroege oorsprong in de Kerk, maar de openbare devotie werd wijder verbreid als gevolg van de openbaringen aan de Heilige Margaretha Maria Alacoque van de Orde van de Visitatie in de 17e eeuw. Onze Lieve Heer verscheen aan haar met zijn Hart omgeven door vlammen van liefde, en vertelde haar van de grote liefde van zijn Hart voor de mensheid en het grote verdriet dat het te verduren kreeg door de onverschilligheid en ondankbaarheid van de mensen. Hij vroeg om de instelling van een liturgisch feest ter ere van zijn Hart en om de devotie van het ter communie gaan op de eerste vrijdag van elke maand.

Het Heilig Hart staat als een krachtig symbool voor het hele menselijke lichaam van Jezus Christus. Het hart vormt de kern en vertegenwoordigt het werkelijke leven van Jezus, onze Verlosser; een hart dat werd gevormd in de schoot van Maria; een hart dat klopte terwijl Hij het goede nieuws predikte en de zieken genas; een hart dat stopte bij het kruis en vervolgens werd doorboord door de lans van de soldaat. Het is ook het hart dat straks weer klopt bij de opstanding, maar dat ook nu al voor ons zijn kracht toont. Het Heilig Hart van Jezus is daarom een krachtige herinnering aan de liefde van Christus die voor ons allemaal is uitgestort. Het is tegelijk een weergave van zijn Goddelijke liefde en zijn menselijke liefde. In het Heilig Hart zien we de liefde van God die de hemel en aarde heeft geschapen; een liefde die de mensheid heeft geschapen en ons vervolgens heeft verlost van onze zondige aard. Maar het Heilig Hart is er ook één van volledig menselijke liefde; één die zich uitte in de liefde van Jezus voor Zijn Moeder; de liefde van Jezus voor Zijn apostelen, en de liefde die Hij toonde voor alles tot wie Hij predikte en waar Hij voor zorgde. Het was een liefde die degenen die Hem aan het kruis hadden genageld, kon vergeven.

De devotie van het Heilig Hart heeft in het verleden (18de en 19de eeuw) een belangrijke rol gespeeld bij de sociale aandacht voor de onderdrukte mens. En in Nederland zeggen we van iemand die heel sociaal is, dat hij of zij een ruim hart heeft. En dat is precies de boodschap van het Heilig Hart van Jezus: ruimte in het hart hebben voor de ander. In deze tijd leven we met de Covid-pandemie en het vraagstuk van de vluchtelingen in de wereld. Met de dreiging van het vreselijke Covid-virus zijn we geneigd eerst aan onszelf te denken en in onze harten geen ruimte voor de ander te creëren. Vaccinaties gaan eerst naar ons en niet naar ontwikkelingslanden. Ons hart is soms klein en zelfs gesloten voor anderen. Dat geldt ook voor onze omgang met de vele vluchtelingen. Als baby moest Jezus met zijn ouders vluchten voor zijn veiligheid. Daar mogen we wel eens vaker aan denken en dan ook de door haat en oorlog getroffen vluchtelingen opnemen in ons hart en daadwerkelijk helpen.

Het Heilig Hart van Jezus roept ons op om ons open te stellen voor de noden van anderen, om een luisterend oor te bieden aan mensen die door de zogenaamde hulpverleners niet gehoord worden, om duidelijk te maken dat de afgewezenen in Nederland er wel toe doen en er mogen zijn, en dat wij er voor hen zijn. Mogen wij ons in deze junimaand uitgenodigd en geïnspireerd weten om onze eigen devotie tot het Allerheiligst Hart van Jezus, doorboord met een lans en brandend van liefde voor de mensheid, te hernieuwen.

Pater Antony Varghese SVD

Pastoraal woord: Wat betekent Pinksteren voor ons?

Op de vierde zondag van mei, namelijk op 23 mei 2021, vieren wij Pinksteren. Misschien weet iedereen wat Pinksteren betekent. Toch wil ik kort iets vertellen over Pinksteren.

Het woord “Pinksteren” is afkomstig van het Griekse woord ‘pentekostè’, en het betekent vijftig of op de 50e dag. In De Joodse traditie heette dit feest oorspronkelijk Sjavoeot. Het was een oogstfeest dat op de 50e dag, precies zeven weken, na het Pesachmaal gevierd werd, want het was ook een herdenking van de afkondiging van de tien geboden van God aan Mozes bij de berg Sinaï. Dit zou zeven weken na het vertrek van de Israëlieten uit Egypte plaats hebben gevonden. Voor ons, christenen, is Pinksteren het feest ter gedachtenis aan de uitstorting van de heilige Geest over de apostelen en daarmee de geboorte van de kerk. In de liturgie van Pinksterzondag komt dat tot uiting in de eerste lezing: Handelingen van de Apostelen 2,1-11.

Vanuit die achtergrond van ‘pentekostè’ of Pinksteren verzoek ik u om over de uitstorting van de heilige Geest over de apostelen na te denken in verband met onze huidige situatie. Het heeft meer dan een jaar geduurd – een jaar van pandemie, een jaar van beperkingen, een jaar van thuis zitten, een jaar van een beetje dood zijn – voordat we langzaam weer wat opkrabbelen en durven te gaan leven. Het lijkt of we allemaal weer uit de dood opstaan en opnieuw het leven omarmen.

Wat betekent dat nu voor ons? Waar ligt nu onze opdracht als parochianen in deze weg naar versoepelingen van de corona-maatregelen? Gaan we weer gewoon op de oude voet verder? Of heeft onze weg naar Pinksteren ons gerijpt en sterker gemaakt? Hebben we ervaren, dat er meer is dan eten, drinken en slapen? Hebben we naast de eenzaamheid ook de solidariteit gevoeld als een parochie, een geloofsgemeenschap, een kerk? Hebben we ook de positieve gevolgen van de corona ervaren? Staan we nu een beetje anders in het leven dan voorheen? Wat staat ons vanaf deze Pinksteren te doen?

Pinksteren betekent voor ons nu, in dit jaar, het loslaten van verdriet en angst, de moed om te durven getuigen dat corona ons geleerd heeft om solidair met elkaar te zijn, dat we enthousiast en optimistisch zijn. Velen zijn nog niet naar de kerkdienst gegaan. Ze nemen nog steeds deel aan de viering vanuit hun huis via tv of livestream. De angst en ongerustheid is nog niet weg uit ons leven. Wanneer houdt dit allemaal op?

Moge de ervaring van de leerlingen  op de eerste Pinksterdag ons inspireren om van Gods grote daden te getuigen ook in deze pandemietijd. Moge de Heilige Geest in ons werken, ons kracht geven om elkaar te bemoedigen, samen te werken voor het weer opbouwen van onze geloofsgemeenschap en parochie zodat wij als gelovigen een leven kunnen leiden, passend in de situatie van deze tijd.

 Pater Klemens Hayon SVD

Pastoraal woord: Mijmeringen rond Pasen

We vieren met Pasen de verrijzenis van onze Heer Jezus Christus. Een mensenkind. Mensenzoon en Zoon van God. Het verhaal gaat dat zijn Vader Hem deed opstaan uit de dood. Die overlevering behoort tot de kern van ons christelijk geloof. Pasen is hét verhaal van de overwinning op de dood, van leven na dood, van verheffing na kruisiging, van glorie na passie, en van licht na duisternis.
En wij? Wat is óns paasverhaal? Waar gebeurt Pasen bij ons? Waaraan herkennen wij sporen van die ultieme paaservaring in ons leven? Sporen van een God die geen mensenleven verloren wil laten gaan? Een God die de mens tot leven roept, sinds het begin van de schepping. Die de schepping bezielt met verrijzeniskracht. Hoe delen wij in die kracht hier en nu in onze wereld, te midden van anderen voor wie Pasen nog lang niet in zicht is; voor wie het leven op een dood spoor dreigt uit te lopen? Die gevangen zijn in leegte en gemis?
OpstandingPasen werpt licht op de duisternis van ons mensen bestaan. Pasen fluistert de naam van naamlozen en van allen die gekruisigd worden in naam van weergaloze economische en politieke belangen. De naam van wie hun lot niet kunnen dragen en weerloos zijn in de handen van mensen: vluchtelingen, ontheemden, vreemden, eenzamen en allen die overal wonen maar nergens thuis zijn.
Pasen bemoedigt mensen om naar elkaar om te zien en op zoek te gaan naar tekenen van verrijzenis in hun leven. Met Pasen staan wij stil bij ons eigen leven en dat van anderen. Waar zie ik tekenen van verrijzenis? Hoe ervaar ik licht en kracht in mijn leven? Waar wordt ik uitgedaagd om mee te werken aan de opstanding van mensen die gekruisigd, gemarteld, genegeerd en uitgesloten worden? Hoe reageer ik op mensen die de aarde schenden, het milieu verontreinigen en de lucht vervuilen? In hoeverre ben ik bereid mijn gedrag aan te passen voor het welzijn van de schepping? Welke keuzes wil ik hiervoor maken?
Iedere dag gebeurt Pasen door daden van kwetsbare mensen. In een protest, stil of luidkeels, tegen krachten die mensen kleinhouden door hun het zwijgen op te leggen. Pasen gebeurt in de weigering mee te gaan in een onverzadigbare consumptiedrang. In de mens die opengaat voor het visioen van vrede dat sinds mensenheugenis ons roept. Door een vergeten of achtergelaten pop die als cadeau tot vreugde strekt van het kind van vluchtelingenouders. Wij vangen een glimp van Pasen op in de bemoedigende glimlach van die vrijwilliger met een Wajong-uitkering, die zich onvermoeibaar blijft inzetten voor een Somalisch gezin uit het naburige asielzoekerscentrum. Pasen komt aan het licht in die jongen met de verkeerde naam, die na tientallen onbeantwoorde sollicitatiebrieven blijft geloven in de goedheid van mensen. In dat meisje dat haar kamer en haar laptop deelt met een medeleerlinge die thuis geen toegang heeft tot internet. En in de ondernemer die het aandurft een jongere met een strafblad een nieuwe kans te geven door hem aan te nemen.
In al deze mensen krijgt Pasen een gezicht. Komt Pasen aan het licht. In hen leeft een diep verlangen om zo goed als God te zijn. Om als licht te zijn. Om kracht uit te stralen, liefde te geven, recht te doen. Tegen alle schijnbaar noodlot in, de ander het licht niet te laten ontroven.
Ons Pasen on hold gezet? Ho maar! Want, wat altijd is geweest, het waaien van de geest, gebeurt ook vandaag aan ons. Pasen herinnert ons aan het licht dat de Eeuwige in ons heeft ontstoken; een lichtend vuur, dat zelfs de dood niet kan smoren. Dat scheppingsvuur van het begin, dat wij dagelijks inademen, houdt ons in leven. Het zet ons aan tot kleine menselijke daden van goedheid, van geduld betrachten, van begrip opbrengen en aandacht schenken. Zo spreken wij een taal van hoop en vrede. Een taal die grenzen overstijgt, en niet gebonden is aan cultuur of afkomst of status. Een taal die vreugde schept in de harten van de mensen. Een taal die mensen dichter tot elkaar brengt en het aanzicht van de aarde vernieuwt.
Pasen gebeurt daar waar leven, tegen alle schijnbaar noodlot en onderdrukking in, stroomt op dorre plekken van eenzaamheid en duisternis. Daar breekt de hemel open, raakt zij onbegrensd. Daar komt Hij, de Opgestane, tastend aan het licht, met een naam en een gezicht, even weerloos als wij mensen. Wordt Hij deel van ons verlangen, als een pijn die ons geneest, als een nieuw begin van leven.
Namens ons pastoraal team wens ik u allen een zalig Pasen!
Duncan Wielzen, pastoraal werker

Pastoraal woord: Heilige Jozef – feestdagen 19 maart (Bruidegom van de H. Maagd Maria) en 1 mei (H. Jozef de arbeider)

Paus Franciscus heeft 2021 uitgeroepen tot het jaar van de heilige Jozef. Hij maakte dit dinsdag 8 december 2020 bekend op het Hoogfeest van Maria Onbevlekte Ontvangenis, de dag waarop precies 150 jaar geleden paus Pius IX de heilige Jozef van Nazareth uitriep tot ‘Patroon van de Universele Kerk’. Het bijzondere Jozefjaar is die dag direct van start gegaan, zo maakte de paus bekend in zijn apostolische brief Patris Corde (“Met een Vaderhart”) en het jaar wordt op 8 december 2021 afgesloten. Met dit speciale themajaar wil paus Franciscus de heilige Jozef als beschermer extra benadrukken. Ook zijn rol als voedstervader wordt komend jaar extra belicht. De paus brengt dit in verband met de zorg voor armen en migranten en ook met de rol van Jozef als patroonheilige van de arbeiders.

Ook de Covid-19 pandemie heeft meegespeeld in het besluit van de paus om een speciaal jaar aan Sint Jozef te wijden. “De pandemie heeft duidelijk gemaakt welke betekenis gewone mensen hebben, al degenen die dagelijks veel geduld tonen en hoop bieden, waardoor ze een gevoel van medeverantwoordelijkheid zaaien,” aldus de paus. “Ze lijken daarmee op de heilige Jozef, deze onopvallende man, die dagelijks, discreet en in het verborgene aanwezig is.”

De heilige Jozef is in de Kerk altijd een boeiende persoonlijkheid ge­weest. Hoeveel mensen dragen niet zijn naam? Hoeveel kerken zijn niet aan hem toegewijd? Toch zal de heilige Jozef altijd de stille, verborgen heilige blijven. Zijn leven is zo vol van mysterievolle dingen, dat hij zelf door dat mysterie verhuld blijft. Je moet heel stil worden om het geheim van zijn leven te begrijpen.

De heilige Schrift heeft geen enkel woord van hem overgeleverd, maar wij vinden wel een beschrijving van zijn daden, simpele, alledaagse daden, waardoor echter Gods beloften aan de mens in vervulling gingen. Zijn hele leven was een voortdurend “ja” als antwoord op de roep van God. De heilige Jozef wordt in het evangelie uitgetekend als het type van de rechtvaardige (Mt. 1,19).

De Kerk noemt hem, naar het voorbeeld van de gelovige Abraham: aartsvader. Want op de roep van God begaf ook hij zich op weg, zonder te weten waarheen. Hij verliet zijn familie en zijn vaderland, in het geloof dat God aan hem zijn belofte waar zou maken.

Het is opvallend dat de heilige Jozef Gods oproep altijd ontvangt in een droom. In het Oude Testament heeft dit woord een theologische duiding. Gods woord, Gods stem wordt vernomen vanuit de diepte van de ziel. Op die manier spreekt God tot elke rechtvaardige. Wij leven tijdens deze coronapandemie soms zo gespannen en oppervlakkig, dat wij Gods oproep vaak niet meer horen. Wij laten die stille rust niet toe in ons leven, zodat Gods aanwezigheid en Zijn handelen niet meer ervaren worden.

Wat ook nog opvalt in het leven van de heilige Jozef is, dat hij altijd opstaat om Gods wil te doen (Mt. 1,24). ‘Toen Jozef uit de slaap opstond, deed hij wat de engel Gods hem bevolen had en nam zijn vrouw tot zich’ (Mt. 1,24). En als de engel hem later zegt: “Sta op, neem het Kind en zijn moeder en vlucht naar Egypte en blijf daar totdat ik u waarschuw”, dan staat Jozef op en gaat. Hij vraagt niet waarom, hij spreekt niet tegen, Jozef zwijgt en hij gaat weer op weg. Als dan later in Egypte de engel hem weer verschijnt en zegt: “Sta op, neem het Kind en zijn moeder en trek naar het land van Israël”, dan neemt Jozef weer zijn staf in de hand en gaat. Hij zegt niet: “Maar….” Zwijgend gehoorzaamd hij.

Jozef zal zeker, denk ik, Gods plannen niet altijd hebben begrepen, maar in vertrou­wen op Gods woord heeft hij zijn eigen twijfels en onzekerheid overwonnen. Hij geloofde dat God het goed met hem meende. Hij durfde het avontuur van zijn leven met God aan.

Hij verzaakt zijn eigen plannen om voor het welzijn van het kind en zijn moe­der te zorgen. Door zijn zwijgende dienstvaardigheid maakt hij Gods plannen mogelijk. Jozef is de man die altijd in de schaduw van de anderen geleefd heeft, die nooit op de voorgrond getreden is. Hij heeft steeds de anderen gediend.

Als wij zo over de heilige Jozef nadenken, dan wordt hij groot in onze ogen. Dan beseffen wij, dat wij in deze tijd van sensatie, van publiciteit, juist zulke mannen en vrouwen nodig hebben om de Kerk daadwerkelijk te vernieuwen. Mensen die stand houden op de plaats waar God hen roept, ook al is dit een plaats van stille verborgenheid. Mensen die stil en zwijgend bereid zijn eigen initiatieven prijs te geven om anderen te kunnen beschermen en te leiden. Mensen die bereid zijn om eigen zekerheden los te laten, die bereid zijn om telkens weer verworvenheden prijs te geven als het welzijn van anderen dat vraagt. Zo’n geloofshouding vraagt mensen die zelfverloochening en lij­den niet schuwen, mensen die zich tevreden stellen met, stil op hun plaats, hun plicht te doen en die vertrouwen op de kracht van Gods woord.

Deze stille, zwijgzame man, is de patroon geworden van de uni­versele Kerk, omdat hij in zijn persoon verwerkelijkt, wat de Kerk in wezen moet zijn: een Kerk die stil en bescheiden Gods plannen wil verwezenlijken in deze wereld; een Kerk die op weg durft gaan, op Gods woord, ook als de toekomst duister is; een Kerk die zichzelf wil prijsgeven, om zwakken te beschermen en and eren het leven mogelijk te maken. De Kerk  mag dit beeld van de heilige Jozef nooit vergeten! Hij is nog altijd een stille heilige, hij staat niet op de voorgrond bij de heiligen-verering, maar zwijgend blijft hij ons aanspreken om de staf te nemen en op weg te gaan, om bescherming te zijn voor hen die aan onze zorgen zijn toevertrouwd.

Pastoor Kees Dernee

Gebed

Heer onze God,
wijs onze parochie de weg
die wij moeten gaan,
en mogen wij,
zoals de heilige Jozef,
gehoor geven  aan uw stem.
Amen.

Pastoraal woord: Jezus in de woestijn

Direct nadat de stem uit de hemel had geklonken, “Jij bent Mijn geliefde Zoon”, nadat Jezus was gedoopt in de Jordaan, door Johannes, is het de Geest die Hem op weg zet, de eenzaamheid in, veertig dagen lang, om door Satan beproefd te worden. Het verblijf van Jezus in de woestijn, doet ons ook denken aan het volk van God dat veertig jaren lang door de woestijn op weg is naar het beloofde land. Op die weg begeleiden engelen hen. En dat volk van God onderweg dat zijn wij. De tijd is vervuld en het rijk Gods is nabij, met andere woorden: het is zover, het staat te gebeuren. Jezus wordt veertig dagen de verlatenheid van de woestijn ingestuurd.
Is Jezus bestand tegen de verleidingen van macht, prestatie en aanzien? Hij wordt getest om te achterhalen of hij wel de verleidingen van de duivel, van invloed en van macht, kan weerstaan? Jezus wordt op de proef gesteld om te zien of hij zijn roeping waardig is. Zijn roeping is het om van alle mensen zonder onderscheid te houden, om mensen te verzamelen, bijeen te brengen en in vrede met elkaar te leven.
Niet alleen Jezus wordt getest. Beproefd worden is voor velen van ons een realiteit. Door de liefde van God, voor onszelf en de medemens, zijn we in staat mee te werken aan het uitvoeren van het verbond van God met ons. Dan zal er vrede zijn, hier en overal. Wij leven nu in onzekere tijden. Onze bewegingsvrijheid staat onder druk, we moeten voorzichtig zijn met contacten, ons gedrag aanpassen om uit de pandemie te komen die de wereld in haar greep houdt. We kijken uit naar bevrijding van het virus en ons wordt verteld door de overheid dat we het zelf in de hand hebben.
‘Alleen samen komen we er uit.’ Uitkijken naar verandering is niet voldoende, er moet wat voor gedaan worden, door iedereen. We weten hoe het was, en ook al wordt het anders, het is altijd beter dan het nu is.
Het lijkt voor de hand liggend hier een parallel te zien met het koninkrijk van God. We koersen af op een nieuw normaal. In het evangelie worden we opgeroepen in zee te gaan met een nieuwe situatie, door God de Schepper zelf ondersteund, in de kiem al aanwezig in de persoon van zijn geliefde Zoon. Deze situatie is aangebroken. Wil je er deel aan hebben, geloof dan en bekeer je. Omdraaien dus! Opnieuw krijgen we veertig dagen de gelegenheid om ons daarop te bezinnen.
We staan aan het begin van de veertigdagentijd: tijd om ons opnieuw toe te vertrouwen aan de woestijn, opnieuw onderzoeken welke ‘wilde dieren’ in onszelf en rondom ons onze aandacht vragen. God vraagt ons om ons gedrag aan te passen, namelijk gerechtigheid te beoefenen, recht staan naar Hem, naar onze medemens en naar onszelf. De weg van Jezus blijven zoeken in woord en daad; het is niet eenvoudig, maar toch is dat de weg waarin wij mogen geloven.
De komende veertigdagentijd kan ons helpen, om meer helder te krijgen wat wij zelf kunnen doen, op de plek waar wij ons bevinden, om daar het koninkrijk van God te doen groeien door liefde. Mogen Gods Geest en Jezus zijn Zoon ons daartoe blijven inspireren. Bij alles wat er gebeurt en bij alles wat ons overkomt, mogen we weten dat ons leven bij God in goede handen is en dat Hij niet zal toelaten dat ook maar één haar op ons hoofd gekrenkt zal worden.

Paul Kuhlmann, diaken

Pastoraal woord: Advent

In de eerste helft van de afgelopen novembermaand zag ik in onze wijk de eerste bomen met verlichting verschijnen. Ik snap best dat mensen in deze sombere en onzekere tijd behoefte hebben aan een beetje licht in de duisternis, maar een geheel opgetuigde kerstboom die ik in sommige huiskamers ook al zag staan, welk gevoel moet dat geven? Ik merkte bij mezelf dat het me een gevoel van stress gaf, zo van ‘o jee, het is al bijna Kerstmis, en er moet nog zoveel gebeuren. Kunnen we niet eerst even rustig Sinterklaas vieren?’ De Goed-heiligman was toen nog niet eens in het land.
Ik begon me af te vragen: wat betekent het feest van Kerstmis nog, het feest van het Licht dat schijnt in de duisternis, als we voor dat grote feest al volop licht in deze mate ontsteken? Hebben wij christenen daar niet een speciale voorbereidingstijd voor die we Advent noemen, van het Latijnse woord Adventus, dat ‘komst’ betekent? In dat woord klinkt voor mij een beweging door, een dichterbij komen en niet een abrupt ‘van het ene op het andere moment’. Onze adventskrans maakt dat ook duidelijk: we beginnen de eerste zondag met één brandende kaars en zo elke zondag een kaars erbij. Het wordt langzaamaan lichter. En als het goed is, betreft dat lichter worden niet alleen het licht van de kaarsen op de adventskrans, maar ook het licht dat in ons zelf brandt, het licht dat steeds meer in ons brandt naarmate wij dichter bij de komst van de Heer komen, naarmate wij verder zijn in onze voorbereiding op Zijn komst. De evangelielezingen die we op de zondagen van deze Adventstijd lezen geven ook die groei van de voorbereiding aan. De eerste zondag worden we opgeroepen om waakzaam te zijn, om voorbereid te zijn als Hij komt. We worden alert gemaakt. Op de tweede zondag worden we opgeroepen om in actie te komen: “Bereid je voor, bereid de weg van de Heer”, riep Johannes de Doper. De mensen bekeerden zich, lieten zich dopen. Ook wij worden opgeroepen om iets te doen: ons in de Adventstijd meer dan anders richten op God en onze medemens. De derde zondag wijst Johannes ons het Licht aan. Het komt in zicht: “Ik ben zelf het Licht niet, maar ik getuig jullie van het Licht.” En tenslotte de vierde zondag wordt dat komende Licht nog concreter als de engel Gabriël tegen Maria zegt dat ze zwanger zal worden en een zoon zal baren die ze Jezus moet noemen. Het naderende Licht krijgt een naam. En dan met Kerstmis wordt het geboren. “Het ware Licht dat iedere mens verlicht, kwam in de wereld” horen we in de evangelielezing op Kerstochtend. We zijn erop voorbereid, zagen het aankomen, we kunnen het aan, de komst van dit Licht. We hebben erin mee mogen groeien, worden uitgenodigd om kinderen van het Licht te zijn. Zonder die voorbereiding zou ons dat niet lukken, stonden we met onze ogen te knipperen voor het plotselinge licht in het duister. Nu kunnen we er in mee gaan, dat Licht uitdragen in de wereld, opdat het het duister zal overwinnen.
Het deed me goed dat onze buren een slinger met Sint en Pieten hadden opgehangen. Alles op zijn tijd en nog even wachten met dat volle licht van de opgetuigde kerstboom. Het licht van de adventskrans komt eerst! Ik wens u, mede namens het pastoraal team, een gezegende Adventstijd en een Zalig Kerstmis.
Ook alvast een goede jaarwisseling gewenst. Maak er, ondanks de onmogelijkheden door de coronacrisis, een zo goed mogelijke tijd van en vertrouw vooral op dat Licht, dat ware Licht dat in de wereld kwam.

Namens het pastoraal team, Jos van Adrichem, diaken

Pastoraal woord: Allerheiligen – Allerzielen

Met Allerheiligen, 1 november, gedenken wij die vele mensen uit alle tijden, die door de Kerk heilig zijn verklaard. Het gaat om mensen, geschapen naar Gods beeld, in hun levenswandel werd het gelaat van de heilige God zichtbaar; mensen die zulk een openheid naar God toe vertoonden, dat in hen Gods heiligheid, zijn totaal anders-zijn, zijn majesteit en luister, tot openbaring kwam, primair in het wegsmelten als sneeuw voor de zon van al wat onheilig, gebroken en zondig is, maar ook in het verrichten van machtige werken. Dit laatste niet enkel tijdens hun aardse leven, maar evenzeer ook na hun dood. In aansluiting op de evangelielezing van deze dag – heilig zijn zij die ‘zalig’ genoemd worden, zijn zij die op de goede weg zijn. En dat mogen we ook zeggen van al degenen die ons in dit leven zijn voorgegaan en in dat leven de weg van Jezus geprobeerd hebben te gaan. Het feest van Allerheiligen kan niet zonder de Gedachtenis van alle overleden gelovigen, 2 november, en omgekeerd: geen Allerzielen zonder Allerheiligen.

Bij het woord ‘heiligen’ denk ik nog wel eens aan de heiligenbeelden uit mijn kindertijd, waarnaar ik ‘missen’-lang kon kijken. Je had de mooie, rijk versierde beelden, waarin het kaarslicht weerkaatste door de goudverf. Deze beelden waren soms voorzien van mijters en een gouden staf. Daarnaast waren er ook afstotende beelden, waar je niet naar wilde kijken maar wel moest; Sebastiaan met de pijlen door zijn borst bijvoorbeeld. Bij allemaal was de gezichtsuitdrukking heel ‘lief’. Zo moest je zelf ook proberen te worden.
Heiligen waren mensen die rijk waren en weggaven. Armen waren het object van heiligen. De heilige Martinus hoog op het paard in een prachtige gevechtsuitrusting, doorkliefde met het zwaard zijn mantel voor de schamel geklede man op de grond. De heilige Franciscus gaf alles weg en had alleen nog zijn bruine pij. Het ideaal was: niet aan jezelf denken; jezelf wegcijferen. Deze beelden maakten diepe indruk op mij.

Soms had je zelf ook een klein beetje een gevoel van heilig-zijn. Daar hoorde bij dat niemand meer last van je had; dat je niets nodig had; je bent er bijna niet. Dan was je heel stil en maakte je je heel klein en probeerde net zo te kijken als de beelden deden. Dat gaf een heel bepaald, moeilijk te omschrijven gevoel. De begrippen ‘heiligboontje’ en ‘schijnheilig’ lagen er wel heel dicht tegenaan. Je moest er voor waken dat je gevoel zuiver was, echt.
Hoe kleiner, hoe deemoediger je zelf was, hoe groter God kon zijn. Een oefening in deemoed was, dingen doen die je niet fijn vond. Dat was echt beter dan iets zoeken waar je jezelf in kwijt kon. Deemoedig zijn hield ook in: niet opstandig worden, wanhopig of verdrietig zijn, niet twijfelen of bang zijn, maar vertrouwen. Wanhoop en angst waren tekenen van ongeloof, want niet jij hebt je leven in de hand, maar God. Een christelijk ideaal was: niemand worden, zodat God alles kon zijn.

De evangelielezing van Allerheiligen roept nu het tegengestelde in mij wakker, “Zalig de treurenden want zij zullen getroost worden”; “Zalig die hongeren en dorsten naar gerechtigheid…”; “Zalig die vrede brengen…”, dit zijn oproepen. Ze zeggen: laat je raken door wat er om je heen gebeurt; voel de verscheurdheid van de kloof die er is tussen ‘hemel en aarde’ en treur daar om. Het zijn oproepen om je talenten en krachten te gebruiken, om vrede dichterbij te brengen. God wordt niet groter door mijn kleinheid, maar Gods aanwezigheid op aarde wordt juist meer zichtbaar naarmate ik mijn talenten ontwikkel en meer tot mezelf kom en mijn krachten gebruik, want Hij kan zich niet anders laten kennen dan door ons mensen. Wanneer je God in je toelaat zul je geraakt worden door onrecht en geweld. Wanneer je niet vlucht, maar je laat raken, dan kan er een verontwaardiging in je ontwaken die tot een stuwkracht uitgroeit. Dan sta je ergens voor!

De begrippen: zachtmoedigheid, barmhartigheid en zuiver-zijn-van hart, waarvan het evangelie eveneens zegt dat deze leiden tot zaligheid, lijken niet zo te passen, bij een, door verontwaardiging gevoede houding. Ze dragen een mildere klank in zich en vragen eerder om een vergevingsgezinde houding. Toch horen deze twee houdingen – van aan de ene kant verontwaardiging die je daadkrachtig maakt, en aan de andere kant barmhartigheid die je vergevingsgezind laat zijn – bij elkaar. Ze vullen elkaar aan tot heelheid en deze heelheid heeft alles met heiligheid te maken.

Vergevingsgezind in het leven staan heeft consequenties voor je naasten, maar ook voor jezelf. Het wil niet zeggen dat je over je heen laat lopen, of dat er geen veroordeling zou zijn, maar vergeving schept ruimte om om te gaan met schuld. Allereerst is er het schuld bekennen, het weten en toegeven wanneer die schuld jezelf betreft: “Dat had ik zo niet moeten doen.” De kunst is om daarna niet te blijven steken in een schuldgevoel dat je verlamt, zo van: “Ik heb het voor altijd verprutst.” Het is belangrijk jezelf niet klein te laten krijgen door schuldgevoel want schuld heeft niet het laatste woord. Je krijgt nieuwe kansen en mag opnieuw de mogelijkheden die je in je hebt aanwenden tot groei, tot leven. Vergeven is niet: zand erover, streep erdoor, maar verder gaan met alles wat er is gebeurd. Zo’n houding wordt gevoed door barmhartigheid, zachtmoedigheid, mild zijn ten opzichte van anderen en jezelf. Zo vind je voor jezelf en geef je aan de ander, ruimte om eigen verantwoordelijkheden met nieuwe moed weer op te nemen.

Een milde barmhartigheid naar deze schuld zal niet je geweten stil leggen, maar wel ruimte en vitaliteit in je scheppen, waardoor je blij kunt zijn met iedere kleine verandering en waardoor je een lange adem krijgt. Deze vergevingsgezindheid houdt je gaande en behoedt je voor apathie dat wil zeggen voor het schouderophalend beweren: “Daar kunnen we toch niets aan doen.” Zo kun je de verantwoordelijkheid van je afhouden door hem enkel bij de politiek te leggen. Een mentaliteitsverandering kan pas echt doorzetten wanneer wij gewone mensen, zoals u en ik er zelf in geloven, zonder te willen forceren. Er ontstaat dan een eerste aanzet tot meer gerechtigheid en dus ook tot een meer hele, meer heilige wereld. Wij zijn geen heiligen, maar het verlangen ernaar dragen we wel in ons. De oproepen van Jezus wijzen ons de weg naar de verwezenlijking ervan.

Kees Dernee
pastoor

Pastoraal woord: Oktober Mariamaand

De maand oktober is voor ons bekend als Mariamaand zoals ook de meimaand. Deze maand is gewijd aan Maria, de moeder van onze Heer Jezus. Ook is deze maand bekend als ‘Rozenkransmaand’, een maand waarin het Rozenkransgebed wordt gebeden. Ik hoop dat iedereen, persoonlijk of gezamenlijk, de rozenkransmaand goed gebruikt voor het rozenkransgebed. Zeker in deze coronatijd. Ik wil niet in detail over het rozenkransgebed schrijven, maar ik wil ons allen uitnodigen om te reflecteren over wat de rol van Maria is in de crisis van de tafelmeester toen de wijn op was bij het bruiloftsfeest in Kana (Johannes 2, 1-12). Wat roept dat verhaal voor ons op in deze pandemietijd.
Vanwege het coronavirus zijn vanaf eind maart tot en met mei allerlei activiteiten die wij van te voren hadden gepland tot stilstand gekomen. Ook de viering in de kerk werd gevolgd via de livestream. In deze periode hebben we tijd gehad voor onszelf en voor ons gezin, voor reflectie, voor gebed, voor bezinning.
We zijn geroepen door de regering en door de lokale kerk om de maatregelen serieus te nemen, zowel bij onze sociale contacten in de maatschappij als in de liturgische vieringen, in de kerk tijdens deze pandemiecrisis. Hebben wij echt naar hen geluisterd en er in ons dagelijks leven en in onze liturgische viering naar gehandeld?

Maria, de moeder van Jezus begrijpt wat een crisis betekent. Zij was aanwezig bij het bruiloftsfeest in Kana. Ze hadden geen wijn meer. Maar zij vroeg aan de bedienden om naar haar Zoon te luisteren en “te doen wat Hij hen zeggen zal”. Zij verwees naar haar Zoon. Zij toonde hen dat Gods liefde en barmhartigheid aanwezig is in Jezus, dat Hij hen uit hun benarde situatie zou redden. Mede door haar hulp werd hun crisis opgelost.
Nu zitten we in een situatie waar meer en meer mensen getroffen zijn door dit virus. We weten niet wanneer we een vaccin kunnen gebruiken tegen dit virus. De enige mogelijkheid die we hebben, is goed luisteren naar de gezondheidsinstanties en doen wat die zeggen. Want ze zorgen voor de gezondheid van de anderen, van de kwetsbare mensen.
Ik geloof dat degenen die de maatregelen hebben vastgesteld, van goede wil zijn, ofschoon ze soms anders doen dan wat ze zeggen. Laten wij doen wat ze zeggen en de woorden van Maria opnemen in ons doen en laten: “Doe wat Hij u zeggen zal”.
Pater Klemens Hayon SVD